Uit deel 1 – De Val: Op weg naar de top van de Pointe de Labby gleed mijn vader op de gletsjer uit richting afgrond. Het lukte mij zijn val te breken en samen overeind te komen. Inmiddels was het onweer vlak boven ons. Ik werd bang…

Donder en bliksem

Het onweer en de bliksem waren nu recht boven ons en de lucht was inktzwart. Donder en bliksem waren overal om ons heen. We daalden zo snel als maar mogelijk en veilig was af. Het kostte veel inspanning en we hadden al een lange tocht en enerverende ervaring achter de rug. Ik was toch wel wat gewend in de bergen ook qua onweer, maar dit zag er beroerd uit. Ik vroeg me af of we het overleven zouden.

Ik bad tot God

Ik vond het op zich niet erg om te sterven, maar voor mijn gevoel was het nog te vroeg… En mijn vader, moest hij nu sterven? Ik hield van mijn vader en moeder. Ik wilde niet dat mijn vader nu dood ging, maar evenmin bezwaard met de last als nabestaande van mijn dood. Ik vond het ook vreselijk voor mijn moeder die beneden zat te wachten. Het was onverdraaglijk dat zij één van ons, of erger ons beiden in één keer kwijt zou raken en hier in dit vreemde land volslagen alleen zou achter blijven. Ik bad tot God: “alstublieft, niet nu, niet hier, tenminste niet allebeí. Als er toch één van ons moet sterven, dan laat ik dat aan U over“. 

Laat mij hier sterven…

Bijna hollende kwamen we weer bij de rotsgraat aan. Mijn vader stopte, hij kon  niet meer. Uitgeput greep hij naar zijn borst en zakte neer op een vlak stukje. “Laat mij maar hier sterven, ik ga niet meer verder“. Hij had de hoop volledig opgegeven en was niet meer in beweging te krijgen. Onze positie was gevaarlijk en bliksemgevoelig, we moesten hier weg, maar hij kon echt niet meer. Na enige tijd begon ik zachtjes aan op hem in te praten “Geef niet op, je kan het wel. Kom, sta op dan gaan we langzaam verder, weg hier vandaan!”  Ik bad dat God hem weer kracht en moed zou geven.

Een complete white-out

Ineens stond hij op “oké dan, we gaan“. Hij had plotseling een abnormaal grote energie en gedrevenheid om door te gaan. Ik was stomverbaasd, maar ging maar al te graag verder. Met veel kracht en motivatie zette hij de afdaling in, ik kon hem slechts met de grootste moeite bijhouden. “Je moeder is dodelijk ongerust, we moeten snel zijn”. Hij zei niet: je moeder zal wel vreselijk ongerust zijn o.i.d., hij wist het.

Over de gletsjer verderop, die nu in dichte mist lag, zei hij de weg te weten. Dat was ook nodig want een afwijking naar links zou ons in een verkeerd dal doen uitkomen en teveel naar rechts zou ons in een verradelijk spletenrijk gebied brengen, waar we zonder touw niet konden lopen. Het was belachelijk dat hij zou kunnen zien waar we heen moesten, er was geen spoor meer te vinden en door de dichte mist zagen we geen hand voor ogen. Alles was wit, een complete white-out.

Een wonder

Met een gezaghebbende stem die helemaal niet van hem was zie hij: “Kom, Ik weet de weg, volg mij!” En ik wist dat hij de waarheid sprak, vertrouwde hem, het was de Stem van God. Ik volgde…

En inderdaad hij leidde ons perfect over de gletsjer. Dit kon menselijk gezien niet; ik kon hem nauwelijks onderscheiden in de mist, terwijl hij toch maar twee tot drie meter voor mij liep en er waren vóór ons ook geen sporen in de sneeuw zichtbaar. Het was een wonder wat hier allemaal gebeurde.

Volgende week vervolg…
Joyce